Stichting Dorpsbehoud Papendrecht
Papendrecht, een dorpsgezicht waard!

Bevrijding

Bevrijding 1945-2020

Dit jaar is het 75 jaar geleden dat de bevrijding gevierd werd, een tijd waarin de herinneringen vervagen, maar voor we met z’n allen (weliswaar in aangepaste vorm) dit jaar weer feest vieren op 5 mei, zal je toch stil moeten staan wat er aan de bevrijding vooraf ging.
Een tijd van oorlog 5 jaar lang, lange jaren met veel leed, spanning en ontbering, voor veel mensen onder ons nauwelijks voor te stellen dat zoiets kon gebeuren.
Bij veel mensen een tijd, waar moeizaam over valt te praten, maar enkele verhalen wisten we toch vast te leggen.

Fiets.
“Ouderen onder ons hebben zo wat hun hele leven gefietst In de dertiger jaren. Het is ons voornaamste en goedkoopste vervoermiddel. Auto’s zijn er nauwelijks. De boeren en de mensen die met hun handel langs de dijk gaan hebben een paard.
Met de kleinste voorop en achterop gaan hele families met de fiets op vakantie. Scholen en verenigingen, met de fiets een dagje uit. De slager en de bakker gaan met een grote mand voorop de transportfiets de klanten langs. Dat is zwaar werk vooral als het sneeuwt. Er zijn ook handelaren, die met de bakfiets hun waar aan de man brengen.
De fiets blijkt ook in de oorlog het vervoermiddel dus onmisbaar. Ook voor brandstof, heb je bij een boer takken van een knotwilg gekregen en ben je blij met dit buitenkansje. Je hebt weer wat te stoken en legt de takken dwars op je bagagedrager zo op huis aan. Op het fietspad kom je een politieagent tegen. Je moet afstappen en krijgt te horen dat je te breed geladen bent. Een rijksdaalder boete, dus het worden wel hele dure takken. Ja, zulke agenten heb je in de oorlog ook nog.
In het laatste oorlogsjaar heeft de voedselschaarste het hoogtepunt bereikt. Veel mensen trekken uit de steden naar het platteland om te proberen nog aan wat eten te komen. Ze rijden op aftandse fietsen met houten banden met een karretje vastgebonden aan de fiets.
Ook in de Alblasserwaard zie je dagelijks de zogenaamde hongertochten. Er ontstaat een ruilhandel. Van alles sjouwt men mee naar de boeren om te ruilen voor eten. Als dat binnen bepaalde grenzen blijft is daar niets op tegen. Een naaimachine wordt geruild voor een half mud aardappelen. Soms wordt er kostbaar familiebezit geruild voor een beetje eten.
Gelukkig zijn er boeren, die later de kostbaarheden weer teruggeven.
Aan het eind van de oorlog kunnen de Duitsers de fietsen ook goed gebruiken. Dat hebben wij ook ondervonden. Onze achtertuin is omgespit en daar telen we wat groente op. We wonen in een buurt met veel hoge bomen. Dat betekent vallende bladeren in de herfst en dat kan dienen als compost in de tuin. Met de kinderen vegen we iedere dag de bladeren. Na verloop van tijd hebben we een hele bladerenberg achter de schuur. In de winter gaan we de bladeren over de tuin uitstrooien.
Op een dag gaat het gerucht, de Duitsers zijn bezig fietsen te vorderen. Ik heb nog een aardig goede fiets en ben niet van plan die aan de Duitsers af te staan. Maar waar laat je in een gewoon rijtjeshuis een fiets? Ineens hebben we een idee en laten de fiets onder een berg bladeren verdwijnen. Niemand heeft wat gezien, maar op ons driejarig Ansje hebben we niet gelet. Kort daarna komen twee Duitsers achterom, kijken in de schuur en vragen naar fietsen. Wij schudden het hoofd. De Duitsers denken dat wij het niet begrijpen en beginnen uit te leggen dat het om fietsen gaat. Plotseling zegt Ansje in haar gebrekkig taaltje – fiets onder de blaren -. De schrik slaat me om het hart, pak een zakdoek om haar neus af te vegen als een soort van afleiding. In mijn zenuwen knijp ik haar zeker te hard. Ze begint luidkeels te huilen, dan pas hebben de Duitsers aandacht voor haar. De ene soldaat lacht en strijkt haar over het hoofd met als resultaat dat Ansje nog veel harder begint te huilen. Na een korte groet verdwijnen ze weer verder op zoek naar bruikbare fietsen. Heeft die ene soldaat zelf ook kinderen en is zo’n huilend kind te veel voor hem? Dat zal ik nooit weten, maar zodoende heb ik na de bevrijding nog een beste fiets.”
Ook deze fietsen zijn in de oorlog voor de Duitsers verborgen gehouden (Bevrijdingsoptocht 1945).

Brood bakken.
In de oorlog had Bertus een bakkerij. Nou ja, zo maar een eenmanszaakje zoals er in die tijd zo veel waren. Een halve nacht bakken en ’s ochtend met brood langs de dijk om de klanten te bedienen. Onderwijl verkocht z’n vrouw nog wat brood en koekjes in het piepkleine winkeltje. Hoe verder de oorlog vorderde des te moeilijker werd het, alles kwam “op de bon”. Dat gold zeker ook voor meel.
De broodbonnen werden door de bakker opgeplakt en aan de hand daarvan kreeg hij weer toewijzingen voor meel en bloem. De kwaliteit van het meel werd als maar slechter. Bertus probeerde klandestien wel wat meel op de kop te tikken. Als je wat tarwe had wou hij altijd voor je bakken.
In de bakkerij was er reghelmatig controle van de Duitsers, maar dan verstond hij ze zogenaamd niet en hield zich van de domme. De Duitsers vertrouwden hem zeker niet, want regelmatig kwamen ze weer eens toevallig langs. Bertus maakte dan de nodige grapjes. Na enige tijd werd hij het toch zat en zei: “Als je het graag weten wil, ik doe zaagsel in het brood voor de stevigheid. Is het nou goed?” Of het goed was, een paar dagen later werd hij opgepakt voor verhoor. Twee dagen zat hij in de cel. Er was niets tegen hem in te brengen. Hij kon weer naar huis. Maar in die nacht waren er bij hem twee kleine bakkertjes geboren en hij had er niet eens bij kunnen zijn. Vanaf die dag had hij nog meer een hekel aan de Duitsers.
“Op een avond krijgt hij bezoek van twee kennissen, die nog wel wat graan weten te versieren. Ze vragen Bertus of hij bereid is binnenkort een flink aantal broden te bakken. Hij hoeft zich niet te bedenken en gaat akkoord. Het graan ligt opgeslagen in een grote loods in Bleskensgraaf en dient als voer voor de paarden van de Duitsers, die langs de Graafstroom gelegerd zijn. Voor de bevolking is het een hard gelag in die laatste oorlogswinter.
Er wordt een list bedacht de nachtwacht af te leiden. Daar waar de wacht keert zullen ze een aantal fuiken in het water zetten. Wel goed zichtbaar. Dat zal de wachtlopers een tijdje ophouden, want die lusten wel een palinkje. De twee kennissen van Bertus weten zodoende wat zakken graan te bemachtigen, die in een schouw naar Papendrecht worden vervoerd. Zo zijn in dat laatste oorlogsjaar heel wat klandestiene broden gebakken door Bertus dankzij de graanvoorraad van de Duitsers.”
*Wat we niet uit dit ooggetuige verslag te weten komen of het graan eerst naar een molenaar werd gebracht. En waar haalde Bertus het gist vandaan?

Distributiestamkaart en bonnen.
De eerste distributiestamkaart werd vlak voor de oorlog in Nederland ingevoerd. De Duitsers voerde een tweede distributiestamkaart in om de duizenden onderduikers van voedsel af te snijden. Velen zaten ondergedoken, omdat ze niet in Duitsland wilden werken.
Wie dus geen stamkaart had kon geen bonnen krijgen dus geen voedsel of andere producten zoals bijvoorbeeld textiel, zeep, schoenen en brandstoffen. Een stamkaart kon je alleen maar krijgen met een geldig persoonsbewijs. Wel probeerde men voor de onderduikers valse persoonsbewijzen te maken, zodat ze toch aan een tweede distributiestamkaart konden komen. In wezen was alles “op de bon”. Naar mate de oorlog vorderde werd de kwaliteit van het voedsel steeds minder. Het zogenaamde oorlogsbrood bestond voor een groot deel uit aardappel- en peulvruchtenmeel en smaakte klef en zurig. Vandaar dat Bertus maar wat blij was met de zakken graan.

Trouwen in 1943
“Aartje en Joost hadden al een tijdje trouwplannen. Maar het was midden in de oorlog. Geen werk en geen huizen. Veel jonge mannen waren naar Duitsland gestuurd om daar in de fabrieken te werken en de rest was ondergedoken. Joost had een baantje op het distributiekantoor. Daardoor was hij de dans ontsprongen. Je werkte dan zodat genoemd werd voor de voedselvoorziening.
Aartje woonde in Alblasserdam, dat was ook nog niet naast de deur.
Toen hadden zo maar opeens een woonruimte. Een kennis, een oude man die in z’n eentje in een groot huis woonde zei, als jullie willen trek bij mij in. Ga ik in de achterkamer wonen en slapen . Kunnen jullie de voorkamer krijgen en de rest van het huis. Ben ik niet zo alleen in deze onzekere tijd.
Aartje, als jij dan het huis schoon houd en voor mij een beetje warm eten zorgt, zijn we allebei onder de pannen. En zodoende zou er getrouwd kunnen worden.
Nou, zo eenvoudig was dat in die tijd niet. Aartje zou van thuis een veren schudbed mee krijgen. Dat was alvast wat. In het begin van de oorlog had ze nog een beetje linnengoed bij elkaar gescharreld en de rest kon ze van die mijnheer gebruiken. Ze wilde op de trouwdag zelf nog een beetje netjes voor de dag komen. Maar kleren, kom daar maar eens om. Er was heel weinig te koop en van slechte kwaliteit. De familie offerde allemaal een aantal textielpunten, zo kon Joost een pak kopen. Het was donkerblauw, maar het leek meer op geverfde jute. De schoenenbon , waar ze voor in aanmerking kwamen was dan ook maar alleen voor Joost. Aartje had een zwart zijden mantelpakje met een zwart vilten hoedje. Wol of katoen was er niet meer en dat zijde was zonder vergunning. Net als de zwarte zijden schoenen met geperste papieren zolen. Joost dacht nog na over een bruidsboeket, maar het was midden in de winter en de kassen werden niet meer gestookt vanwege het kolengebrek. Toen is hij naar Dordt gegaan, want hij had gehoord dat daar nog wel iets te krijgen was en dat lukte. Het waren slierten groen met papieren linten en hier en daar een wit bloemetje. Wat het hem gekost heeft….
Aartjes vader, die eigenlijk naar Duitsland moest had werk gekregen aan de kustversterking in Noordwijk, altijd nog beter dan in het Ruhrgebied. Hij vroeg een vrije dag voor het trouwen van zijn dochter. Daar kwam niks van in , zeiden zijn Duitse bazen, je stuurt maar een volmacht. Zo ging dat toen. Zonder Aartjes vader gingen ze in een koetsje naar het gemeentehuis. Ze hebben in Dordt nog een foto laten maken bij Hameter. Op dat portret heeft Aartje grote rimpels in d’r kousen. Zou die fotograaf dat nou niet gezien hebben? Of dacht hij , laat maar zitten, het is oorlog.
Thuis hebben ze nog zo goed en zo kwaad als het ging nog een beetje gefeest met de familie. Een vriend bracht zijn accordeon mee en een paar nichtjes deden een voordrachtje. Vroeg naar huis want na tienen mocht niemand meer buiten.
Onlangs vroeg ik aan Aartje, heb jij toe nog cadeautjes gekregen. Want dat weet ik niet zo goed meer. Jawel zei ze, van jou kreeg ik een flanellen laken, maar het was geen nieuwe, hoor! Van Joost zijn zus kregen we een presenteerblaadje. Ik denk dat ze dat zelf nog in een kast hadden staan. De familie had nog een klein beetje geld bij elkaar gelegd om later wat van te kopen. Mijn moeder had met de vader van Joost nog een plantje gekocht als cadeautje.
Ondanks die droevige tijd kan je er nu na zoveel jaren wel een beetje om lachen. .Het is tegenwoordig wel even anders. Joost en Aartje hebben in de laatste oorlogswinter allebei moeten onderduiken en na de oorlog hebben ze nog heel lang bij die oude kennis gewoond tot volle tevredenheid van beide kanten.”
Op 15 mei 1945 werd het eerste huwelijk na de oorlog gesloten. De Papendrechter Pleun Visser trouwde met de Sliedrechtse Arina Monster.Zijn vriend Cor van Wijngaarden zoon van de stalhouder Willem van Wijngaarden zat op de bok van de trouwcoupé. Pleun trouwde in een uniform van de geallieerden. Het bruidsboeket bestond uit bloesemtakken en de trouwjapon was gemaakt van een Canadese parachute. Een hele partij parachutes had in een schouw achter het Oude Veer gelegen.

Krijgsgevangenen als vee vervoerd.
De oorlog was nog maar net begonnen, toen er in juni 1940 schepen met krijgsgevangenen langs Papendrecht kwamen. De Duitsers hadden rijnaken gevorderd van de rederij NRV en op deze schepen werden honderden krijgsgevangenen naar Duitsland vervoerd.
Als ze langs Papendrecht kwamen kon je ze aan de kant horen schreeuwen van honger en dorst, in dagen hadden ze geen eten of drinken gehad. Sommige van deze schepen lagen bij Papendrecht afgemeerd wachtend op een andere sleepboot.
De Papendrechtse bevolking had diep medelijden met deze mensen en zelf hadden ze nog volop te eten, met roeiboten voeren ze dan langszij bij deze schepen om de krijgsgevangenen van eten en drinken te voorzien. Aan boord van deze schepen was het een onhoudbare situatie. Een van deze transportschepen is nog op een mijn gelopen bij Willemstad. Ter nagedachtenis voor de vele doden die toen vielen is er een monument voor opgericht.

Auto ondergedoken.
Op een gegeven moment werden alle voertuigen door de Duitsers gevorderd. In de garage van Kees van Wijngaarden (bovenaan de Veerstoep) stond op dat moment daar voor reparatie de auto van dokter Rietveld. Kees Hardam knecht bij deze garage vond het toch wel erg dat de auto van de dokter ook ingeleverd moest worden, dus ging hij bij de tuinderij van v.d. Linden aan het Westeind vragen of de auto van de dokter kon onderduiken, zo gezegd, zo gedaan.
De auto werd helemaal achter in de boomgaard gereden, er werden bonenstaken omheen gezet en erop gelegd, zodat het een grote berg leek. Menig keer zat men in spanning als de Duitsers er vlak langs liepen, maar ze hebben nooit iets ontdekt.
Eindelijk was de oorlog voorbij en de auto werd tevoorschijn gehaald, maar voordat die auto op de dijk stond moest er toch nog flink gewerkt worden met trekken en duwen, want rijden deed de auto niet meer na zolang stil te hebben gestaan. Op de dijk aangekomen werd de auto versierd en in optocht naar het huis van dokter Rietveld geduwd, die hem met veel pret weer in ontvangst nam.

Bevrijding 1945.
Wat ik mij herinner van de bevrijding op de Hoogendijk te Papendrecht door C. van Gangelen.
“De laatste dagen van de oorlog verkeerden wij als Hoogendijkbewoners in een bevrijdingsroes. Geallieerde vliegtuigen, die eerst op alles schoten en bommen gooiden, dropten nu etenswaren voor de uitgehongerde mensen. De vliegtuigen kwamen zo laag over dat we de piloten konden zien en dat ze naar ons zwaaiden. Het brood dat we kregen smaakte zo lekker zoals nu krentenbrood met spijs.
Wat een vreugde alom, toch werd er nog even een domper op onze vreugde gezet, toen er van mond tot mond ging dat er een Duitser was doodgeschoten. Deze Duitser was doodgeschoten op de Veerdam en al spoedig kwamen vrachtwagens vol Duitsers uit Alblasserdam naar Papendrecht. Bij de eerste huizen aan de Hoogendijk sprongen de Duitsers zwaar bewapend uit de vrachtwagens. Ze liepen voor en achter de huizen langs, men zal begrijpen dat wij als bewoners wat bange uurtjes hebben doorgemaakt. Wij waren weggedoken in de kelder, op dijkhoogte was een klein raampje en konden de Duitsers zien staan, ze stonden er te bevelen en te snauwen. Angstig hielden we ons hart vast en zou er toch nog iets naars gebeuren met de bevrijding in zicht?
Na verloop van tijd verdwenen de Duitsers richting Westeinde, opgelucht haalde iedereen adem en langzaam kwam de feeststemming weer terug. Een vrouwtje was niet zo blij, ze liep steeds maar naar haar kat te zoeken, Bij iedereen ging ze vragen of iemand haar kat had gezien. Wat ze niet wist dat haar kat, nadat deze ontsnapt was onverbiddelijk bij iemand in de pan was gegaan. Zo ging dat in die tijd.
Op de avond van 4 mei kwam dan het bericht, dat de Duitsers gecapituleerd hadden. Niemand kon daarna nog slapen en iedereen liep met iedereen te praten, de andere dag verwachtten we de Canadezen of Amerikanen, maar niets te zien.
’s Middags 5 mei kwam er een motorrijder langs in een geallieerd uniform, die uitbundig werd toegezwaaid en toegejuicht, maar hij reed door. Later hoorden we dat het ene Van den Adel uit Papendrecht was.
Pas de volgende dag 6 mei kwamen er Canadezen, een flinke groep die gelegerd werd in een hal van de scheepswerf van Duyvendijk. De Canadezen waren vrolijke jongens, die ook wel sigaretten uitdeelden, vriendschappen werden gesloten. Iemand had nog een half pond vooroorlogse matrozenshag (al die tijd bewaard). Uit dankbaarheid ging de shagbaal rond, deze was in een mum van tijd opgerookt. Nu 75 jaar later vieren we de bevrijdingsdag (in aangepaste vorm) nog eens over, laten de mensen die er toen bij waren en zo dankbaar waren deze dag nog steeds koesteren als een geschenk. En dankbaar blijven en aan de jeugd doorvertellen wat het betekent in vrijheid te leven.”


De bevrijding getekend door Pim Visser (bijna 5 jaar).

Nieuws

‘t Leste ‘Paopendrechs krantjie’.

25-03-2020

Terwijl we in de greep worden gehouden door het Corona virus, verschijnt vandaag voor het ... Lees meer

Herdenking Gerrit van Dalen

08-03-2020

Op 8 maart werd door het 4mei comité een bijeenkomst georganiseerd om de gedenksteen aan d... Lees meer

Opening tentoonstelling Excelsior

24-02-2020

Op zaterdag 22 februari is de tentoonstelling "100 jaar Excelsior" geopend. Bij binnenk... Lees meer

Fotobank